Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d. i. zichzelven of de rede tot object heeft. Hij beschouwt alle dingen in verband met God, den eersten beweger, het eeuwige denken, oorsprong en doel van alles. Hij staat dus niet buiten het leven, gelijk Spruyt met zijne aanhaling uit Vergilius wil duidelijk maken, maar midden in het volle rijke leven, daar het zijne taak is alle dingen te kennen iu het licht der eeuwigheid. In deze kennis, die ook de godheid bezit, is de mensch aan God verwant. ne'i yoip tic sttiiasKsix tüv xvipmxivuv üirè ösüv yivsTai, mitsf 3okcT, xxi f/if ccv suXoyov %xtpeiv re xutous tü apltrrcp kx) tü truyytvsftottc/) (toüto ïxv ei*i 'o voüg).... d. i. indien de goden zich bemoeien met menschelijke dingen, wat algemeen geloofd wordt, is het aannemelijk , dat zij zich verheugen over het beste en het meest verwante deel des menschen, want dit is immers het denken." (Eth. Nicom. X, c. 8, p. 1179, b, 9). Het geluk komt bij deze werkzaamheid als het allerlaatste, om haar te voltooien, op dezelfde wijze als de bloei bij de jeugd komt. Welnu, omdat de philosoof het gewichtigste werk op aarde verricht, smaakt hij ook de hoogste gelukzaligheid. Het wezen des menschen bestaat voornamelijk in het denken, zegt Aristoteles. De philosoof, die arbeidt aan zijne zelfvolmaking, is dus niet een bovenmenschelijk wezen, maar de mensch wiens geest zijn vollen wasdom bereikt. De voorstelling van Spruyt, dat een philosoof als Aristoteles een zonderling zou zijn, is niet houdbaar. Evenmin dat het Aristoteles in de eerste plaats te doen was om het behoud eener maatschappij, waarin hij zelf en andere philosofen ongehinderd hun beroep konden uitoefenen. Want het is gebleken, dat een philosoof volgens Aristoteles bij uitstek zelfgenoegzaam is, en 't minst van den maatschappelijken toestand afhankelijk. Waarom zou Aristoteles dan hebben gestreefd naar het behoud van het bestaande?

Het kon echter zijn, dat Aristoteles' conservatieve neigingen zich vertoond hebben op practisch terrein. Vragen we ons dus af: welk standpunt nam Aristoteles in ten aanzien van het praktische leven?

Sluiten