Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zedenkunde, volgens 't welk de maatstaf van het zedelijke leven niet gezocht moet worden in eene idee of wet van het goede, die van bovenzinnelijkeu oorsprong is, maar in het menschelijk leven zelf. Toegegeven zij, dat daarmede de weg versperd wordt om te komen tot eene uitwendige van buiten opgelegde wet, welke onvoorwaardelijke gehoorzaamheid van den mensch eischt. Maar wel vond Aristoteles op zijn weg een mensch, wien de idee van het goede of de wet Gods was ingegrift op de tafelen zijns harten. Zulk een mensch komt volgens Aristoteles niet uit den hemel vallen, maar wordt gevormd door opvoeding en levenservaring, en wordt zoo, indien zijn wil de goede richting neemt, in werkelijkheid tot wat hij in aanleg potentieel reeds was. Dan wordt hij 5 <rroi£x7o?, van wien Aristoteles zegt, dat hij alles zuiver beoordeelt. (Eth. Nicom. III, c. 4, p. 1113, b, 18). Deze mensch is geene uitzondering op den gewonen regel, maar de ware mensch. De naam axouixloi toch beteekent: ernstig, degelijk. Menschen, die niet beantwoorden aan hun wezen, beschouwt Aristoteles als schijuwezens. In den degelijken mensch d. i. in dengene, die allen schijn in het handelen en in het geluk verwerpt, komt het volle wezen des menschen tot zijn recht. Daarom is deze mensch de standaard van goed en kwaad. Het pad der deugd loopt telkens zoo, als de brave en verstandige man het afbakent, u; ccv o Qpüt/ui iptmsv.

Men kan dus niet met Lamers zeggen, dat Aristoteles de volstrekte waarde van het zedelijke niet genoegzaam erkent. Want hij eikent een vasten maatstaf van goed en kwaad, ingeschreven op de tafelen des harten bij ieder, die volledig mensch is.

Dat Aristoteles de wet van het goede, als het moet, tegenover het zinnelijke laat gelden, blijkt daaruit, dat hij zegt: er zijn dingen, waaraan wij om hen zelve waarde hechten en die wij verkiezen, ook al brengen ze geen genot mede. Maar hij erkent de volstrekte waarde van het zedelijke niet voldoende, volgens Lamers. „Men vindt bij dezen wijsgeer de deugden, die hij iu de

Sluiten