Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Risse (Ann. Chem. Pharm. 1859. 111 p. 39) publiceert een arbeid, die in veel overeenkomt met het werk van Kremer. Hij nam echter alleen zeer geconcentreerde oplossingen van AgN03 en overmaat Ag I, zoodat hij alleen de verbinding 2 Ag N03 . Ag I isoleert. De kristallen zijn kleurlooze prisma's, of concentrisch gegroepeerde vlakke ag-o-reg-aten.

ÖO O

Ook smelt hij de zouten in verhouding (mol.) 2: 1 samen; de smelt is helder lichtgeel en geeft met weinig kokend HoO twee lagen, waarvan de bovenste weer het zout oplevert.

Zijn verbinding 2: 1 wordt snel zwart in het licht, smelt bij 105° en wordt bij 98°, of lager, vast. De verbinding van Schnauss en Kremer (1 : 1) kon hij niet krijgen als een lichaam van constante samenstelling en hij houdt hun praeparaat voor een oplossing van Ag I in de verbinding 2:1.

De licht- tot bruingele olie, die ook hij telkens heeft, is in samenstelling veranderlijk met de hoeveelheid Ag I en kan zooals Hofmann (Pharm. Journ. Trans. 1S59. 1 p. 29) opgeeft zeker variëeren tusschen 3 Ag N03 .1 Ag I en 2 Ag N03 . 3 Ag I, terwijl zij in vasten toestand even gevoelig is, als een gevoelige plaat.

Stürenberg, een photograaf, (Arch. Pharm. 1870. f2] 143 p. 12) is de eerste, die de beide verbindingen bereid heeft.

De verbinding 2: 1, het eerst gevonden door Weltzien (niet door Schnauss, gelijk Stürenberg zegt) kristalliseert uit kokend bereide oplossing van Ag I in Ag N03 in naalden, die in het licht zwart worden. Met HaO geeft dit Ag I-afscheiding, waarvan bij koken weer een deel oplost, en in de vloeistof is dan volgens hem de verbinding 2 : 1.

Het dubbelzout 1 : 1 wordt, zegt hij, verkregen, als de Ag N03-oplossing volkomen met Ag I verzadigd is.

Sluiten