Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog vrij hoog gehalte aan jodide, een zoodanig smeltpunt bezaten, dat zij zich daardoor slechts langzaam met de overige smelt mengden.

Ook kwam het voor (zoo b. v. bij de mengsels met 20 en 25 %), dat zich twee vloeistoffen vormden. De gelere, die rijker aan jodide was, dreef of in kleinere druppeltjes boven op, of vormde een vrij scherp afgescheiden onderlaag en slechts door g-oed roeren werd

ö o

alles homogeen. Bij dit roeren moest zorg gedragen worden, dat de thermometer of roerstaaf zooveel mogelijk in 't midden van de massa bleef, daar anders de visceuse vloeistof hoog opkroop tusschen thermometer en glaswand ; het voordeel gelegen in het vullen der buisjes met behulp van den vultrechter was dan verloren, daar ondoorzichtigheid van het glas aflezen verhinderde en ook goed mengen dan lastig wordt.

Gebruikt zijn de bekende Anschützthermometers, die tot aan het begin van de capillair in de smelt stonden en vooraf om de tien graden tegen normaalthermorneters gecontroleerd waren.

A. De lijn der eind'smeltpunten en beginsiolpunten aan den kant van het Ag NO^.

Vooreerst is het smelt-en stolpunt van zuiver Ag NO3 bepaald. Bij verwarming van vast Ag N03 werd het buitenbad van het apparaat van van Eyk op ± 215° gehouden en bij afkoeling van gesmolten Ag N03 op ± 203°. Het constant blijven van de temperatuur gaf bij beide bepalingen nog minder dan 0.1° verschil in uitkomst; van onderkoeling was dus niets te merken, zoo maar voldoende geroerd werd.

Ook voor de mengels tot ± 16 mol. proc. Ag I gaf eind van smelten en begin van stollen slechts weinig uiteenloopend resultaat.

Sluiten