Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opmerkelijk is echter, dat, terwijl bij al de andere percentages de eerste vaste stof zinkt in de vloeistof, ze hier juist dreef. Inzonderheid werd bij het mengsel met 20 0/0 waargenomen, dat de fijne kristallen na omroeren niet vlug in de vloeistof stegen, daarentegen de eerst gevormde, groote kristallen veel lichter schenen te zijn, daar ze niet dan door sterk roeren te midden van de smelt konden gehouden worden. Het gelukte hierbij ook door rustig afkoelen alleen kleine kristallen te krijgen, en nu was reeds een paar graden lager, dan wanneer groote kristallen gevormd waren, alles vloeibaar gew 01 den.

Eindelijk zij hier nog vermeld aangaande de vloeistoffen, dat gesmolten Ag NO3 een heldere kleurlooze smelt geeft en eveneens de mengsels met enkele molecuulprocenten Ag I en wel tot ± 10%. Het mengsel met 13.9% geeft een lichtgele vloeistof, de verdere vloeistoffen tot 25% worden wat geler.

De vaste stof, die zich uit al deze vloeistoffen afzet,

is wit.

Bij voortzetting van de graphische voorstelling krijgt men zoo den tak BC van fig. 1. VY egens de goede aansluiting der punten op de lijn BC, waardoor deze juist een aanvang nemen zou bij de overgangstemperatuur van Ag N03 uit rhombischen in hexagonalen vorm (opgaande), ben ik geneigd de vaste phase, die bij tak BC behoort, in weerwil van bovenstaande vreemde resultaten, bij 20 en 22.65 % voor rhombisch Ag NO:i te houden1). Hiermede harmonieert ook het niet vinden van een nieuw overgangspunt beneden 160°. Reeds volgt uit de teekening duidelijk, dat de lijn ABC geen continu verloop heeft. Van de keuze der eenheden (in dit geval voor temperatuur en concentratie) hangt af,

!) Bepaling van de samenstelling der vaste phase scheen niet nauwkeurig uitvoerbaar wegens viscositeit der vloeistof.

Sluiten