Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had wat moeite gegeven door vertragingen. De vloeistoffen zullen des te meer onderkoeling vertoonen, naarmate ze visceuser zijn, en nu wordt bij voortgaande toevoeging van Ag I het beginstolpunt telkens lager, de vloeistof soortelijk zwaarder en minder beweeglijk.

Ook uit de opgaven der smelt- en stolpunten in de inleiding blijkt, dat hier sterke onderkoeling kan voorkomen. Vaak kon het mengsel tot 90° afkoelen zonder te kristalliseeren en ook roeren kon de vertraging lang niet voldoende verminderen. Ik heb daarom na het eerste opsmelten langzaam laten afkoelen onder flink roeren, zoodat fijne kristallen verkregen werden. Nu werd weder onder sterk roeren opgesmolten, de temperatuur vooral tegen het einde zeer langzaam verhoogd, zoodat buiten en binnen vaak bijna gelijk stond en hoogstens 2° verschilde ]). Daar smelten in tegenstelling van stollen in den regel geen merkbare vertraging ondervindt, kunnen de zoo verkregen uitkomsten nauwkeurig genoeg geacht worden; het werd bovendien een paar malen achter elkaar herhaald en de laagste waarde gekozen.

De volgende punten zijn zoo gevonden:

Mol. proc. Ag I. Eindsmeltpunt.

27.45 116.2°

33.33 119.1°

37.5 117.9°

42 113.2°

50 111.5°

56.36 109°

Worden deze punten weer in een graphische voorstelling vereenigd, dan krijgen we de krommen CDE— EFG van fig. 1.

') De stijging der temperatuur in de stof was dikwijls niet meer dan 0.2° in 5 minuten.

Sluiten