Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvoor de percentages ongeveer zijn: 60.5 en 62.5 en de respectieve temperaturen: 114.5° en 134.5°.

Vanaf I moet de kromme zonder iets bijzonders voortloopen tot aan het smeltpunt van zuiver Ag I.

De vloeistoffen boven 58 o/0 hebben in den omtrek der eindsmeltpunten kleuren, die naar hooger Ag I-gehalte varieeren tusschen heldergeel en donkerrood, zooals in onderstaande tabel nader opgegeven wordt:

Mol. proc. Ag I. Kleur der vloeistof.

58.5 helder geel.

60 groengeel.

62

66.66 roodbruin, iets geler dan Norm.

opl. K2Cr207 in gelijk buisje.

75 wijnrood

80 donkerrood, bijna ondoorzichtig.

85 „ ..

100 .. . ondoorzichtig.

Boven het eindsmeltpunt verschuift de tint in 't algemeen weer naar donkerder.

De eerste vaste stof zinkt in de vloeistof en had meestal een geelachtige tint, hoewel dit door de kleur der vloeistoffen zelf, moeilijk juist te onderscheiden was.

Het eindsmeltpunt van het mengsel met 58.5% wordt reeds voorgesteld op het begin van een nieuwe stijgende kromme en niet meer op het dalend deel der voorgaande; dit eindsmeltpunt 106.3° ligt evenwel nog zeer dicht bij het laagste punt der geheele smeltlijn 105.5°.

Bij de vorming der stabiele vloeistof vond nog onderkoeling plaats, evenwel minder dan op de kromme der verbinding 1:1, want terwijl de percentages 50 en 56.36 eerst een eind onder 90L vast zout gaven, ontstond het hier reeds bij 99°. Ook leek de vloeistof wat beweeglijker en eindelijk onderscheidde de eerste vaste stof

Sluiten