Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indien er dus menging in den vasten toestand is, moet die zeer onbeduidend zijn.

Nog langs een 2den weg heb ik dit trachten aan te toonen door onderzoek van het mengsel met 2.4 %. Reikte de homogene menging van Ag I tot aan dit gehalte, dan zou men een smelttraject hebben moeten vinden, dat bij 205° eindigde. Nu is van 160—205° geen aanvang van zoodanig traject uit het oploopen der temperatuur gevonden.

Omgekeerd zou dit mengsel beneden 160° dan geheel vast moeten geweest zijn en ook dit is onjuist, want volgens hoofdstuk III, A is reeds bij 2.4 % het eutecticum van den AgN03-kant waargenomen.

Derhalve gaat menging, indien ze er mocht zijn, in geen geval tot 2.4%.

De vloeistoffen met 0 —16% zetten bij beginstolling dus hexagonaal Ag N03 af; daalt hun temperatuur beneden het overgangspunt bij 159.1°, dan moet het hexagonale Ag N03 zich eerst omzetten in de rhombische modificatie en uit de vloeistoffen zet zich bij verdere afkoeling ook dezen vorm af, evenals uit de vloeistoffen met 16—25.5 % direct. De lijn BBj van lig. 1 scheidt de twee gebieden af.

Uit vloeistoffen met 25.5 — 33.33 % zet zich in het begin het dubbelzout 2 Ag N03 . Ag I af.

Het eutecticum van hoofdstuk III, A bij 114.7°, dat bestaat bij alle mengsels tusschen 0 en 33.33 % geeft ten slotte een conglomeraat van vast rhombisch Ag N03 en dubbelzout 2:1 en tot kamertemperatuur althans blijft dit zoo.

Ten slotte een opmerking omtrent een eigenaardigheid, die uit het bovenstaande verklaard kan worden.

Bij het mengsel met 10.1 % is eenige keeren waargenomen, dat bij verwarming in de buurt van den

Sluiten