Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De lijn der omzetting van mengkristallen M2 in D5, die door het verdwijnen van D5 ophoudt bij P2, moet daar dus met een knik voortgezet worden, om nu de omzetting van M2 in D2 voor te stellen; deze lijn P2 Q zal dus wel zeer dicht bij de Ag I-as loopen en derhalve is dan voorgesteld, dat het gebied van mengkristallen Mo met hexagonaal Ag I bij lagere temperatuur zeer klein is, maar langs thermischen weg is de juiste grens daarvan

niet te bepalen.

Dat er bij gewone temperatuur nog mengkristallen met eenig Ag N03 mogelijk zijn, volgt ook uit de jongste onderzoekingen van Köthxer en Aeuer over de atoomgewichtsbepalingen van het jodium. Zij hebben gevonden, dat bij het praecipiteeren van Ag I uit Ag NOj oplossing in het voor zuiver gehouden Ag I tot een bedrag van ± 0.14 mol-proc. AgN03 aanwezig is, een hoeveelheid

nocr voldoende om een fout te geven in de atoom-

b

gewichtsbepalingen.

Uit bovenstaande gegevens blijkt nu, dat bij hooger temperatuur deze mengbaarheid eerst langzaam, daarna sterk toeneemt.

Om nog deze resultaten door andere proeven, zoo mogelijk, nader te bevestigen, heb ik eenige mengsels langs microscopischen weg onderzocht. Daar deze mengsels zoo lichtgevoelig zijn en vele bij het opsmelten reeds vrij sterk ontleed waren, konden hier ook moeilijk scherpe uitkomsten verkregen worden. De waarnemingen hadden plaats met het microscoop in horizontalen stand, terwijl de stof op een objectglaasje gebracht was in een doosje, dat in den toestel van Schwarz (dissertatie van Van Eyk p. 49) kon geschoven worden, werd de doos van dezen toestel tusschen objectafel en oculair gebracht, beide daarvan gescheiden door dikke asbestplaten. Over het algemeen gaf de stof, die op het objectglaasje opgesmolten

Sluiten