Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was en uitgespreid om een tamelijk doorzichtige laag te hebben, bij gewone temperatuur een geel veld, waarin altijd eenige zwarte deeltjes waren.

Waarnemingen zijn gedaan aan de percentages 52, (52, 66.66, 75, 80 en 82.5; hoogere mengsels zijn niet eenomen, daar door sterke ontleding- de massa onbruik-

o ' O

baar was. Werd nu door de branders onder de buizen de temperatuur langzaam opgevoerd, dan werd het veld ondoorzichtiger en dit was in de buurt van 90° telkens het sterkst; bij 75 en 82.5 % begon het donker worden reeds in den omtrek van 90°. Naar hooger temperatuur werd het veld weer helderder. De kleur der vaste stof lijkt vóór den omslag oranjegeel, na den omslag meer groengeel; als de gegeven opvatting van het proces der omzetting juist is, moet dus de meer groene tint aan het ontstaan van D5 toegeschreven worden, wat met het oog op het gehalte aan Ag I in dat dubbelzout niet onwaarschijnlijk is. Tusschen gekruiste nicols werd meestal weinig verschil in lichtsterkte opgemerkt.

Het smelten bij 105° werd bij de verschillende mengsels ook gevonden; de gele vaste stof ging in minder gekleurde vloeistof over, vooral werd dit bij 62 en 66.66 0/0 zeer goed gezien en tusschen gekruiste nicols werd ze donker, de overschietende gele kristallen echter niet. Ook bij 80 % was daarvan nog iets merkbaar, bij 82.5 % is tot tweemaal toe niets van smelting bespeurd, hetgeen geheel overeenstemt met de begrenzing van het gebied der gedeeltelijk vloeibare mengsels door de lijn HjGo bij de concentratie van D5.

De verandering bij 116° gaf in het algemeen een opheldering van het veld, bij de eene samenstelling beter te merken, dan bij de andere, daar bij 62 en 66.66 % ook veel vloeistof er tusschen is. Het vermeerderen der vloeistof is evengoed oorzaak van het doorzichtiger worden, doch tevens de vaste stof, want ook S0 en 82.5 °/0

Sluiten