Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vertoonen hetzelfde. Na de verandering bij 110° gaat de smelting nog voort en bij (36.(5(5 % kon te midden der vloeistof de verdwijning van de vaste, gele deeltjes (vooral van de kleine) gevolgd worden. De vaste stof, die bij ± 125° nog over bleef, was meer groen van tint.

In verband met de omzetting bij 116°, moet dus aangenomen worden, dat de mengkristallen M2 groener van kleur zijn, dan de verbinding D5.

Deze tint is echter niet volkomen vertrouwbaar, daar het licht tijdens de proeven ook merkbaren invloed heeft.

Wat verder de thermische vertraging bij 134° aangaat, werd vooral bij 66.66 % gevonden, dat de kristallen minder doorzichtig werden en een andere groepeering der deeltjes plaats vond, waarbij de vaste stofte midden der vloeistof van ronde, hoekige vormen aannam. \\ as de omslag afgeloopen, dan klaarde het veld weer op en boven 138° bestond dan de vloeistof naast heldere, gele, vaste stukjes, die dus onze mengkristallen voor¬

stellen. Bij 80 en 82,5% werd na 116° niets bijzonders meer waargenomen, alleen helderde tot boven 147 het veld wat op en tusschen gekruiste nicols was het duister. Het ophelderen kan weer uitgelegd worden door de omzetting der mengkristallen M2 in Mj in verband met de juist voorafgaande opmerkingen over de kleur en, zoo de mengkristallen M2 den regulairen kristalvorm van hun hooidbestanddeel bezitten, of liever gezegd als vloeiende kristallen isotroop zijn, is het niet te verwonderen, dat alles duister is tusschen gekruiste nicols. Bij deze twee mengsels is tot 160° toe geen vloeistof opgemerkt.

Enkele proeven werden nog bij dalende temperatuur

genomen. Zoo werd b.v. waargenomen, dat 62% eerst

geleidelijk kristalliseerde, na korten tijd ook de rest

(eutecticum), waarbij het veld duisterder werd, en tusschen

o-ekruiste nicols was het pas gekristalliseerde lichtgeel, ö

Sluiten