Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afscheiden. De benedenlaag is geel en weer bij ± 80° vloeibaar; hooger temperatuur geeft weer het verdwijnen

der twee lagen.

Het mengsel met 58.5 o/0 (voor het 3 e eutecticum genomen) gaf met zeer weinig water reeds 2 lagen en de hoeveelheid geel zout, dat zich afzette, nam bij verdere

toevoeging sterk toe.

Uit het voorgaande kan men opmaken, dat voor isoleering van verbindingen, die nog meer Ag I bevatten, dan de twee bekende dubbelzouten (2:1 en 1 : 1) de gele, Ag I-rijke benedenlaag slechts van dienst kan zijn. Hel'lwig heeft (zie inleiding) het evenwicht der zouten met oplossingen bij 25° nagegaan. Bij hooger temperatuur zou het nu echter nog kunnen zijn, dat er een evenwicht met een ander dubbelzout zich tusschen schoof. Ik heb daarom, vóór ik de gele laag nader onderzocht, een paar oplossingen van Ag N O3 met bekende normaliteit genomen en bij ± 100° verzadigd met Ag I. Nu bleek, dat bij 4.5 Norm. Ag N 03 ± 95 gr. Ag I oploste, wat ongeveer het dubbele is van de hoeveelheid, die Hellwig vond bij 25°; daarentegen werd bij 2 Norm. Ao-NO j± 11.5 gr. AgI in oplossing gevonden en dit verschilt bijna niet met Hellwig's uitkomst bij 25°voor die normaliteit.

Was dus hieruit reeds te zien, dat de oplosbaarheid van Ag I wel sterk met de temperatuur veranderde bij Ag N03-rijke vloeistoffen, maar zeer weinig bij lagere concentraties (waar juist gezocht moest worden), bovendien bleek nog, dat, terwijl uit de twee voornoemde vloeistoffen de twee reeds lang bekende dubbelzouten zich schijnbaar afgezet hadden, daar de kristallen oppervlakkig beschouwd een zeer verschillenden habitus vertoonden, beide vloeistoffen bij nader onderzoek 1) enkel

i) Dr. Jaeger, die ter identificieering eenige hoekmetingen aan deze kristallen verrichtte, betuig ik daarvoor hier mijn dank.

Sluiten