Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EERSTE DEEL.

I.

Wordt (>]> een muziekinstrument eeue noot aangegeven, zoo is het geluid den eenen keer sterk, den anderen zwak, al naarmate men meer ot' minder kracht aanwendt: het geluid heeft eeue zekere sterkte of intensiteit.

Men kan ook achtereenvolgens twee verschillende noten aangeven op liet instrument; wij noemen de eene noot hooger, de andere lager: het geluid heeft een zekere toonthoogte.

Ten slotte kan men een noot den eenen keer op het eene instrument, den anderen keer op een ander instrument aangeven, b.v. eerst op een piano en dan op een horen: in het eene geval is het geluid heel anders dan in het andere: het geluid heeft een zekeren klankaard.

De sterkte van het geluid hangt at van de trillingswijdte van de lucht in de omgeving van liet oor, die hare trillende beweging

o n

van liet instrument krijgt. Hoe sneller de heen en weer gaande beweging van een trillende snaar is, des te hooger is de toon dien wij waarnemen. De toonshoogtc neemt toe met het aantal trillingen per secunde. \\ aar hangt nu evenwel de klankaard van af?

II.

Wanneer de beweging van de trillende luchtdeeltjes altijd op een en dezelfde eenvoudigste wijze plaats vond, dan zouden alleen di- grootte der heen en weergaande beweging en het aantal dezer

1

Sluiten