Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelijke deeltjes (>a, al>, he, <•(/, de, ff enz. elk den tijd van —

sekunde, en duurt de geheele op-en-neergaande beweging \an den

bal 8 sekunden, dan zal na - sekunde, dus in het punt <: van AB

de bal zijn hoogste punt bereikt hebben, in de teekening door h aangegeven. Teekent men zoo den stand van den bal voor elk klein tijdsdeeltje aan, dan ontstaat er blijkbaar eene lijn Oliflvg etc., welke de geheele beweging van den bal voorstelt, l it deze lijn in verband niet AJ} is nu gemakkelijk te zien, in welke phase der beweging de bal in elk tijdstip verkeert. Niet minder duidelijk is echter ook het verloop van de snelheid te volgen, die de bal op elk oogenblik bezit. Blijkbaar is de snelheid het grootst in die tijdstippen, voor welke de bewegingslijn het steilst is, dus tusschen <> en a, waar de bal juist omhoog geslagen is, en tusschen e en f, waar hij het onderste deel van zijn vrijen val bereikt. In het tijdstip c is de snelheid het geringst; immers bij h schijnt gedurende eenige oogenblikken de afstand tot AH niet te, veranderen: de bewegingslijn schijnt eventjes evenwijdig niet de lijn des tijds.

Wil ik nu eenige gelijktijdige bewegingen met elkander vergelijken, dan maak ik voor elk ervan eene teekening als Kg. 1 en zet ze zóó onder elkaar, dat de beginpunten O der verschillende figuren allemaal in een zelfde vertikale lijn komen te liggen. Ik kan dan uit de teekening direct aflezen, welke betrekking er tusschen de phasm der verschillende bewegingen bestaat op elk willekeurig tijdstip. Men moet er voor zorgen, dat bij de verschillende bewegingen in de teekening steeds gelijke deelen van de verschillende onder elkaar geplaatste horizontale lijnen, ook gelijke tijdsdeelen voorstellen. Men ziet dan direct uit de teekening de betrekking, die er tusschen de perioden der verschillende bewegingen bestaat. Hoe korter deel van de tijdslijn ééne op-en-neerbeweging in beslag neemt, des te korter is de periode, des te sneller de rhythnius der beweging. Nemen vier op-en-neergangen van de eene beweging een even groot deel der horizontale lijn in beslag als drie van eene andere beweging, dan verhouden zich de perioden dezer twee bewegingen tot elkaar als : —3:4 en de rhvthmi als 4 : Li. ° D 4 3

Sluiten