Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVI.

Volgens Hermann bleef' bii de proef der abscissenomkeering zoowel de klankaard van de vocalen als van de acustische instrumenten absoluut onveranderd.

Dat de vocalen niet veranderen van aard heeft geene beteekenis daar hun karakter volgens Herman n zelfberust op zekere verhoudingen in de afstanden der curvetoppen, welke door de abscissenomkeering niet gewijzigd worden.

En dat de klankaard van de acustische instrumenten onder invloed van de phasentoestanden niet zoodanige veranderingen ondergaat, dat men een hobo-timbre door de phasen te wijzigen tot een horentimbre zou kunnen maken, dat staat ook voor mij volkomen vast. Het timbre wordt in dien zin ook naar mijne meening bepaaJd door de aanwezigheid en sterkte van eene bepaalde reeks boventonen. Ik kan dat ter voorkoming van misverstand niet genoeg herhalen. En wanneer het in den loop dezer verhandeling zal blijken, dat ik een invloed van de phasen op den klankaard met zekerheid kan aantoonen, dan zal die invloed, het zjj vooruit gezegd, run eene heel andere orde zijn dan de groote, voor het timbre der muziekinstrumenten alléénheerschende invloed van de sterkte der boventonen. Zal ik den phasen eene invloedssfeer kunnen aanwijzen, dan zal die buiten het gebied van het theoretische zich bezwaarlijk kunnen uitbreiden.

TWEEDE DEEL.

XXVII.

.Stel ik mij voor, dat op eene zeer grooten donkeren wand zich een klein lichtpunt bevindt, dan kan men de plaats van dat punt zeer goed een weinig veranderen, zonder dat ik, als ik er nu opnieuw naar kijk, kan waarnemen, dat deze kleine verandering heeft plaats gehad. Laat men evenwel het lichtpunt eene geringe cirkelbeweging maken, maar zóó, dat de doorsnede van den cirkel niet grooter is

') vgl. 1'fl. Arch. lid. 50 blz. 47'J.

Sluiten