Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan den hoek dien wij voor een bepaalde waarde van t nog bij den hoek 2.tA7 moeten voegen, opdat B X de sinus van dezen hoek de uitwijking voor de tweede deelbeweging voor dat bepaalde tijdstip uitdrukke. Daar nu het verschil van de phasen waarin de twee bewegingen np een bepaald tijdstip verkeeren, eveneens veranderlijk is en alleen door /»+ & t bepaald wordt, kan men altijd het aanvangstijdstip zóó kiezen, dat de aanvangsphase van de eerste deeltrilling nul is. Dit is in onze formule dan ook het geval en „ ^ f geeft tevens voor elk tijdstip het bedoelde verschil der tijdstips-phasen van de twee deeltrillingen aan.

Men gelieve nu even stil te staan bij de onderscheiding, die ik maak tusschen de begrippen tijdsti/>s-jJidsencerschil en aartvawjts-/>hatcmrrschil. Het laatste is eene constante grootte en geeft eenvoudig het verschil aan tusschen de twee phasen, waarin de deel-trillingen bjj het beginpunt der beschouwing verkeeren. Hebben de twee trillingen precies dezelfde periode, dan blijft dit aanvankelijk pliaseverschil voor alle volgende tijdstippen hetzelfde, en is dus gelijk aan het in dit geval eveneens constante tijdstips-phasenversehil. Verschillen echter de perioden, zooals in het geval, dat wij bespreken, zoo blijven de twee bewegingen niet steeds evenwijdig aan elkaar, maar zal op een willekeurig gekozen tijdstip de eene beweging een eind op de andere vooruitgeloopen zijn, liet verschil van de phasen, waarin de twee bewegingen oogenblikkelijk verkeeren zal een ander zijn dan bij het beginpunt der beschouwing.

XXX.

Wij kunnen de twee bewegingen

A sin (2 rr t\) -f- H sin { 2 .T [<A -f" (/' 4" ')1} tot ééne beweging samentellen, en krijgen dan

.1 sin 2nSt-\- Bsin 2jrXtcos 2ïi(p-\- L>t)-\- Jicos2n At sin 2.t(c-)-t-t)— = (A -f li cos 2.t(/- + Lt)\sin 2 .r At -f li vos 2 st At sin 2 .-r (/> -\- Lt)

Hiervoor kan men, als men stelt

A + li cos 2 .t (j> -(- t L) — C cos f I ^

li sin 2 JT (]> -(- t L) — C sin f >

schrijven :

Sluiten