Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maakt, alsof de curve in negatieve richting (naar links) verschuift langs de abscis, dus of de periode iets te kort is en dus het trillingsgetal iets te groot. Wanneer a afneemt is het omgekeerde het geval. Dit beteekent dus dut de toonshoogte van den gehoorden toon voortdurend een weinig op en neer schommelt. De periodieke wisseling der intensiteit wordt bepaald door de waarde van

co« 2 .T (p + tL) en heeft dus tot periode , daar telkens na

LA

— secunde deze vorm dezelfde waarde terug krijgt. Wij moeten

dus een toon hooreu, die L sterkteschommelingen per secunde heeft en welks intensiteitswisseling met een geringe wisseling in toonshoogte gepaard gaat.

Dit wordt ook inderdaad gehoord wanneer de twee tonen niet dezelfde intensiteit hebben.

XXXI.

Zijn ilr amftlitHtlM ijelijlc, zoo hebben wij. als weer de tri 11 insgetallen der twee tonen zijn A'en A'+a

A tin 2 Jt t N -(- .1 sin 2 .t 11 (A* -f- L) -)- f>\ . • (7).

= 2 A tin 2.t \t(a +~)+f)2 * (y+f) • (8)-

Volgens deze formule hooren wij een toon met het onveranderlijke trillingsgetal A' -|- f en met eene langzaam periodiek wisselende amplitude

2 .1,o,2.T^+|^ (9)

L

waarvan dus de frequentie der wisseling - is. Men zou dus tot

L

het besluit komen, dat wij thans ■ zwevingen per secunde moeten hooren van een toon van de hoogte N -j- L. Dit is een merk-

Sluiten