Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLIV.

Neemt men echter, zooals ik gedaan heb. „-tyywMn'sche resonantiestemvorken voor de proef, dan is er geen sprake van deze boventoonzwevingen. Toch hoort men zwevingen in den verlangden rhythmus, maar deze kleven juist den zoogenaaraden combinatietonen en ook dikwijls den primairtonen zelf aan, d.w,z. dat deze het zijn, wier intensiteit in den rhythmus der zweving wisselt. Zij zijn evenwel bij de minder eenvoudige tweeklanken (dus alle behalve octaaf en quint) zeer moeilijk «aar te neuten in vergelijking met de boventoonzwevingen bij toonmeter of harmonium. Zelfs bij de quint zijn zij voor een onpeoe/mil oor in vergelijking met deze nog niet zoo gemakkelijk te ontdekken.

Toch zijn zij altijd met de grootste zekerheid waar te nemen, als men niet zijn best doet, boventonen te hooren, maar juist zijn aandacht naar den combinatie-toon richt. Laat men Appunns stemvorken

600 m 700 — L

(dus den hoogsten toon een beetje ontstemd) samen klinken, zoo hoort men ten duidelijkste den toon 300 in den rhythmus 2 A zweven. Men zou nog geneigd kunnen zijn, deze zwevingen zóó te verklaren:

600 en 000—a geven den combinatie-toon 300—a; de eerste boventoon van 600 i* 1200 en geeft niet 000—A den combinatietoon 300+ A. Deze laatste geeft met 300—A zwevingen in den rhythmus 2A. Inderdaad hebben eenige auteurs de quintenzwevingen bij stemvorken op deze wijze verklaard. Kr komt dus bij deze verklaring nog een boventoon in 't spel, hoewel de zwevingen niet zijn boventoonzwevingen.

Neemt men nu echter de ^4/)/)«/i«'sche stemvorken

600 (= 4 ,1) ru 750 — L (= 5 d—L)

dus een ontstemde groote terts, dan hoort men als het stil is in de kamer en men goed luistert, met de resonantiedoozen bijna evenver van liet ééne oor, den conibinatietoon 150 (= </) zweven in den rhythmus 4a Wilde men deze door middel van boventonen verklaren, zoo zou men van 600 reeds den derden boventoon 2400

4

Sluiten