Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STELLINGEN.

I.

Men kan niet spreken van een tweeklank gekarakteriseerd door een bepaald aanvaiigsphasenverschil der twee tonen.

II.

Men kan spreken van een tweeklank met een bepaald stel waarden voor de aanvangsphasen der twee touen.

III.

Wanneer van een tweeklank de eene toon een weinig ontstemd is, zoo treedt een bepaald stel waarden voor de phasen der twee tonen en daarmee een bepaalde vorm der superpositie-cnrve zóóveel maal per secnnde op, als liet product aangeeft van liet eenvoudigste verhoudingsgetal van den zuiveren toon en liet aantal der trillingen, dat de ontstemming van den onzuiveren toon bedraagt.

IV.

Tweeklanken, uit enkelvoudige tonen opgebouwd, geven bij ontstemming van een der tonen zóóveel zwevingen per secnnde als het aantal der in stelling III bedoelde wisselingen van de phasebetrekking bedraagt; deze zwevingen kunnen en moeten dan ook verklaard worden uit het regelmatig terugkeeren van eenzelfden vorm der superpositie-curve in verband niet het periodiek optreden van een bepaald stel waarden voor de phasen der twee tonen.

Sluiten