is toegevoegd aan uw favorieten.

De verandering van den galvanischen toestand van zuivere metalen met de temperatuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het onderzoek betrokken, zijn: zilver (6); koper (Ó); goud (5); zink (3); kadmium; tin (3); lood (3); arsenicum (2); antimoon (3); bismuth (3); kwik (2); tellurium (3); ijzer en thallium. De cijfers achter het metaal geven aan hoeveel draden van dat metaal onderzocht werden.

Voor al deze metalen vonden zij, dat tusschen 0° en 100° de veranderingen van het geleidingsvermogen voldoende kunnen worden weergegeven door eene formule van den vorm

/ — ci — bt -j- c/*.

X het geleidingsvermogen.

De lineaire vorm in /, die Arndtsen meende te kunnen gebruiken, bleek onvoldoende.

Aan dit uitgebreide materiaal is du verwachting van Ci.ausius te onderzoeken. Zij hebben zelf eenige tabellen gegeven, waaruit de grootere of kleinere verschillen onderling blijken. Het geleidingsvermogen bij 0" voor elk metaal 100 stellende, berekenen zij de formules, die de verandering aangeven. Volgens de verwachting van Clausils moesten deze nu alle dezelfde zijn. Maar zelfs bij draden van hetzelfde materiaal, die op verschillende wijze behandeld waren, verschillen de coëfficiënten nogal, b.v. bij koper. Onderzocht zijn 6 draden van 3 soorten; van elke soort één hard en één zacht getrokken.

De formules voor deze 6 draden zijn:

Koper 1 hard = 100 — 0,37351/ + 0,0007716/* I zacht l = 100 — 0,37295/ -f- 0,0007781** II hard l - 100 — 0,30173/ -f 0,0009384/*