Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit volgt —~ ~ = (2)

1 ■+" P ' pl «2

Of ^ = (1 +fi±l.

> pt cc 2

Hoe groot uien a kiezen zal, hangt van omstandigheden af. De veranderingen in W, en W„ voor zoover het de toeleidingsdraden betreft, waren gedurende het verloop van één proef, zooals bij de metingen met de WiiEATsTONE'sche brug gebleken was, zeker nooit grooter dan 0,01 Ohm. Wordt de galvanometer zorgvuldig met watten ingepakt, dan is gedurende den tijd voor ééne meting noodig, de temperatuur standvastig genoeg om de totale verandering in W, en Wa niet meer dan 0,1 Ohm te doen bedragen. Neemt men de kleinste van de «, en «2 dan 1000 Ohm, dan behoeft de onnauwkeurigheid tengevolge van deze onzekerheid niet grooter te zijn dan Vio-oooMen zal bovendien meestal de eerste instelling na de meting, waarbij aan W, en W2, en «2 toegevoegd waren, nog wel eens herhalen, en dan eenig oordeel verkrijgen over die veranderingen in W, en W2 door temperatuurswisseling. Dan kwam het nooit voor, dat die verandering tot 0,1 Ohm groot was.

In de betrekking — = (1 -f ff) is nog de /S te rpt ai

bepalen. Hiertoe verwisselt men met commutator C3 fig. 3 Pl. IV de geleidingen om den galvanometer, zoodat de windingen, die eerst bij rx afgetakt werden, nu naast rpl werden geschakeld en omgekeerd.

Eene nieuwe bepaling levert dan —ï- =z (1 — fi)

rpt « 2

(& klein gedacht).

Sluiten