Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de toename van de kennis van het destilleeren nam ook het aantal der afgescheide aetherische oliën toe; en het is vooral Hieronymns Brunschweig (1450—1534) geweest, die de destilleerkunst zeer heeft ontwikkeld. De kennis der daardoor verkregen producten bleef echter zeer weinig, hetgeen wel eenigszins verwondering wekt, wanneer men leest, hoeveel aromatische wateren uit olierijke plantendeelen bereid werden. Eerst in de 16e eeuw wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tusschen vette en vluchtige oliën; de eerste werden door uitpersing verkregen, de laatste door destillatie bereid (Gesner en Wollf en Giovanni Battista della Porta). Langzamerhand, vooral door den invloed der werken van Paracelsus en Cordus werden de gedestilleerde oliën meer en meer in de geneeskunde gebruikt; de bereiding ervan geschiedde bijna uitsluitend in de laboratoria van apothekers. In het begin van de 18e eeuw waren dan ook vele vluchtige oliën in den handel, al bleef de chemische samenstelling ervan tot in de 19e eeuw geheel onbekend. De dualistische natuur der aetherische oliën, door Boerliave (1668—1738) in zijn „Leerboek der Chemie" uitgewerkt, werd langen tijd aangenomen, al waren er zelfs onder zijne tijdgenooten enkelen, die haar in twijfel trokken, o.a. Hoffman (1660—1743), die door zijne werken veel tot dekennis der vluchtige oliën heeft bijgedragen. Hij is de eerste geweest, die kamfer als eene vastgeworden aetherische olie beschouwde, terwijl deze tot dien tijd voor een vluchtig organisch zout was gehouden, die van vele aetherische oliën vervalsching met terpentijnolie, alcohol of vette oliën aanwees en die van de meeste het soortelijk gewicht vaststelde.

Hoezeer de belangstelling in de samenstelling dezer lichamen toenam, blijkt uit de vele dissertaties die aan

Sluiten