Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene gele, dikvloeibare olie achter, die echter opgelost in warmen petroleumaether geen kristallen leverde. Door uitschudden met aether verkreeg ik na verdamping wel eenige kristalletjes, maar deze bleken phtaalzuur (sm. 202°) te zijn. Door overstoomen der verkregen vloeistof met waterdamp kreeg ik de olie quantitatief terug.

Geraniol was dus niet aanwezig en de reactie met benzoylchloride moest dus aan eene andere stof toegeschreven worden. Door nog een paar malen te fractioneeren kreeg ik dan ook een product, dat niet met benzoylchloride en niet met natriumbisnlfiet reageerde. Daarom kwam het vermoeden bij mij op, dat misschien safrol in deze fractie aanwezig was, hetgeen niet zoo zeer te verwonderen zon zijn, daar safrol in vele aetheriscbe oliën is aangetoond en vooral in de oliën der Lauraceae. In de bladeren van Cinnainomum zeylanicum Breijn is safrol door Weber (Ar. 230. 232) en door Schimmel (1902 II 86) geconstateerd.

Door de verkregen fractie in vloeibaren ammoniak te plaatsen, ontstonden geen kristallen, maar door kleine bijvoeging van andere stoffen schijnt de kristallisatie zeer gehinderd te worden. Het S. G. ervan bedroeg d18 = 1,0908, terwijl door Poleck en Meyer dI8 = 1,0956 wordt opgegeven. Refractie = 1,5210. Broom werd sterk geaddeerd en door een overmaat van Br. toe te voegen kreeg ik kristallen, die onzuiver waren en waarvan het smeltpunt niet goed te bepalen was (+ 145°). Het gelukte mij niet, ze door omkristalliseeren te zuiveren.

Door de stof in eene oplossing van KMnO,, (1 = 40) te druppelen, had ontkleuring plaats. In het neerslag bevond zich nog veel onaangetaste olie, maar door nogmaals KMn()4 opl. toe te voegen, werd deze ook geoxydeerd. De vloeistof werd afgefiltreerd, uitgedampt

Sluiten