is toegevoegd aan uw favorieten.

Bijdrage tot de kennis van de Aetherische Olie uit den wortelbast van Cinnamonum zeijlanicum Breijn

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat het onderzoek op methyleugenol betreft, kwam ik tot negatieve resultaten, want het gelukte mij noch door oxydatie met KMnO,, het veratrumzuur (sm. 179°—180°) te krijgen, noch door broom toe te voegen het tribromide van 78°—79° sm. te vormen.

Wel verdween de kleur van het permanganaat, maar na verdamping der gefiltreerde alcoholische oplossing, verkreeg ik geen kristallen, maar bleef er olie achter. Ik vermoed dus, dat deze nog eugenol was, dat door langer schudden met de KOH opl. in oplossing gegaan zou zijn.

Om uit te maken of de olie, die een S.G. < 1 had, het sesquiterpeen caryophylleen was, werd getracht haar om te zetten in den caryophylleenalcohol op de wijze, als door Wallach en Walker (A 271. 288) is aangegeven. Na ruim 12 uur verhit te zijn met opstaanden koeler, werd het reactieprodukt met waterdamp gedestilleerd. De reactie verliep geheel, zooals die voor caryophylleen door W. en W. aangegeven is, en ten slotte kreeg ik ook iets van een vaste stof, die ik door de geringe hoeveelheid niet kon zuiveren.

Zeer waarschijnlijk is dus caryophylleen aanwezig, maar om daaromtrent zekerheid te krijgen, zou ik van eene nieuwe hoeveelheid olie moeten uitgaan. Prof. v. Romburgh zal trachten tijdens zijn verblijf in Indië nog een hoeveelheid der olie te destilleeren, en dan hoop ik later in de gelegenheid te zijn, het onderzoek dezer hoogst kokende fracties te herhalen.

Het hoofdbestanddeel van den wortelbast is zeer zeker kamfer, terwijl hoofdbestanddeel der bladeren eugenol en van den stengelbast kaneelaldehyde is.

Het zou dus niet van belang ontbloot zijn, wanneer er eenig verband tusschen het ontstaan dezer stoffen