Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strasburger over de celdeling in de meeldraadharen van Tradescantia ) en van Zacharias over de celdeling in de pollencellen van Hemerocallis en de rhizoiden van Chara2).

§ 1. Verbindingsdraden. Treub kon in de levende cellen van de suspensoren („filaments proëmbryonnaires") van Orchis latifolia, welke weinig vacuolen hadden in een fijnkorrelig protoplasma, geen draden waarnemen, noch vóór, noch na het eerste optreden van de celplaat. In de cellen uit de buitenste laag van de ovula van Epipcictis. waarin de kern door ..pseudopodes is verbonden met een zeer dunne laag wandstandig protoplasma, zag hij tijdens de anaphase draden, welke zich echter spoedig grotendeels terugtrokken en minder talrijk werden; „pendant 1'observation on voit toujours ces fils ou pseudopodes se diviser, confiuer, se retirer et changer de place." :i). Tussen de dochterkernen in de telophase, zag Treub hoogstens zwakke streping, doch nooit regelmatige bundels draden. Nadat hij verslag heeft gedaan van zijn waarnemingen aan gefixeerd materiaal, komt hij tot de konklusie: „D'après tout ce que j ai vu dans des cellules ve'gétales en voie de division, je suis conduit a conside'rer les fils et les stries dans ou entre les noyaux, du moins pour les plantes supérieures, comme d importance tout-

a-fait secondaire" 4).

Strasburger en Zacharias hebben evenmin de verbindingsdraden kunnen waarnemen. Ze vermelden enkel, dat het verbindingsdraden-complex zich voordeed als een heldere biconvexe lens, welke meer of minder scherp afstak tegen het omringende cytoplasma; dat echter

1) E. Strasburger. Zellbildung und Zelltheilung. 3e Aufl. 1880, pag. 115. Das Botanische Practicum, 4e Aufl. 1902, pag. 600.

2) E. Zacharias. Ueb. Kern- und Zelltheilung. Bot. Zeit. 1888.

3) 1. c. pag. 16.

*) 1. c. pag. 31.

Sluiten