Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch verbindingsdraden aanwezig waren, konden ze aantonen met behulp van fixering en kleuring.

Zoals we zien leveren deze waarnemingen aangaande de verbindingsdraden weinig op. Beter staat het met die betreffende de

§ 2. Celplaat. Gaan we weer eerst na, wat Treub daaromtrent heeft waargenomen.

Bij de suspensoren van Orchis la/ifolia verscheen in e'én speciaal geval') de celplaat als een dun zwart lijntje in de equator tussen de twee dochterkernen; dit lijntje breidde zich lateraal uit, nadat de kernen veel groter waren geworden en zich naar de celplaat toe dermate hadden vergroot, dat deze nog slechts zichtbaar was aan de rechterzijde, waar hij buiten de kernen uitstak; daar raakte hij de celwand aan en verdubbelde zich. Treub bewerkte nu een zwakke plasmolyse en zag, dat aan die zijde van de cel de protoplast zich in tweeën scheidde, zonder dat er iets van een celwand zichtbaar was; aan de andere (linker)kant, waar de celplaat niet te zien was, trad geen scheiding van de protoplast op; een uur na opheffing van de plasmolyse door toevoeging van water, bewerkte de auteur een krachtige contractie van de protoplast, die daardoor gedood werd. Aan de rechterkant, waar de celplaat de wand raakte, zag hij nu een jonge celwand, die zich niet tot buiten de kernen aan de linkerzijde uitstrekte.

In een ander geval bleef de celplaat voortdurend goed zichtbaar. In zeer ver gevorderd stadium, toen de celplaat zich bijna over de volle breedte van de cel uitstrekte (PI. I, fig. 4e en 4/), nam Treub waar, dat hij, na te voren reeds iets breder te zijn geworden, zich had verdubbeld in zijn linker gedeelte. Toen hij even later de cel doodde, en het protoplasma doorschijnend maakte,

') 1. c. pag. 12.

Sluiten