Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Seite der Mutterzellwand an, und wir sehen ihn nun, nach vollzogener Bildung der jungen Scheidewand an dieser Seite, sich innerhalb der Zelle bewegen, um allmahlich nach allen Richtungen hin mit der Mutterzellwand in Berührung zu kommen und die noch fehlenden Teile der Scheidewand zu erganzen."

Terwijl derhalve in 1880 Strasburger de lamel, welke ontstond door de versmelting der korreltjes, interpreteerde als een wand. bestaande uit ceiwandstoffen, verklaarde hij in 1902, dat die lijn een „Hautschicht" was, binnen welke echter dadelik daarop een jonge celwand „erzeugt" wordt, op welke wijze wordt niet aangegeven, doch zoals later zal blijken hebben we hier te denken aan een splijting van de „Hautschicht"; tussen de beide lamellen wordt dan de celwand afgezet. Dat de „Hautschicht" hier niet eerst geheel kompleet behoeft te zijn, vóórdat er zich ceiwandstoffen vormen, blijkt uit de laatste zin van het aangehaalde.

Uit het voorgaande volgt, dat Strasburgers waarnemingen in vele opzichten met die van Treub overeenstemmen. Dit is eveneens' het geval met die van Zacharias, betreffende de celdeling in de rhizoiden van Chara en de pollenmoedercellen van Hemerocallis. De laatste onderzocht hij in kippen-eiwit en vond, dat tussen de scherp begrensde dochterkernen, als „Rest des Mutterkernes" zich een „tonnenförmig gestalteter, homogener immer noch auf das deutlichste gegen seine Umgebung abgegrenzter Körper" bevindt. „In diesem erscheint in gleichen Abstanden von den Tochterzellen die Zellplatte aus kleinen, blassen, langlichen Körnchen gebildet" (1. c. kol. 36).

Bij de celdeling in de rhizoiden van Chara vond hij (1. c. kol. 55 e. v.), dat de celplaat aanvankelik samengesteld was uit elementen, die zich ook in 't celplasma bevonden: „kleinen Körnchen und grosseren, langlichen, blassen Kürpern. Letztere sind sammtlich senkrecht zur

Sluiten