Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kol. 455): „Die Abgrenzung des Mutterkernrestes *) gegen das Zellplasma bleibt zunachst erhalten, sein Umfang vergrössert sich, die Zahl der Fasern kann vermehrt werden." Waar die meerdere draden vandaan zouden kunnen komen, vertelt Zacharias echter niet.

Ik wil er in dit verband even op wijzen, dat Sy p k e n s 2) op grond van een bestudering van uiterst dunne doorsneden, dwars op de lengterichting van de delingsfiguren bij Fritillaria, geen scherpe grens tussen verbindingsdradencomplex en cytoplasma kon waarnemen: „Der Raum zwischen den Faden steht in direkter Verbindung mit dem umgebenden Protoplasma."

Bij de deling van de pollenmoedercellen van Lilium bulbiferum, vond Strasburger») eveneens, dat het geringe aantal van 12 primaire verbindingsdraden tot op honderden werd vermeerderd door toevoeging van secundaire, welke zich zouden differentiëren uit van ter zijde en van de polen uit ingedrongen cytoplasma. Tevens *) verklaarde hij: „Eine Vermehrung der vorhandenen \ erbmdmgsfaden durch Langstheilung findet nicht statt." Later°) echter nam hij aan, dat de secundaire verbindingsdraden wél ontstaan door splijting van de reeds aanwezige en wel op grond van de volgende waarnemingen:

1°. De primaire verbindingsdraden worden, nadat zij zich van de dochterkernen hebben teruggetrokken, dikker; later neemt hun getal snel toe en komen ze, tegelijk met de uitbreiding van de celplaat, dichter opeen te staan en neemt hun dikte af.

'2°. Men vindt draden, welke dicht bij elkaar liggen en met de einden versmolten zijn.

') d. i. het verbindingsdradencomplex.

2) 1. c. pag. 38.

3) 1888, pag. 168—169.

4) 1888, pag. 162.

5) Die pflanzlichen Zellhaute. Jahrb. f. wiss. Bot., Bd. 31. 1898, p. 512.

2

Sluiten