Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Strasburger geeft zelf overigens toe, dat dit volstrekt geen bewijzen zijn, doch slechts aanduidingen ten gunste van zijn mening.

Timberlake1), die o. a. de celdeling bestudeerde van -de pollenmoedercellen van Larix en de worteltop van Allium, kwam tot een andere konklusie. Hij wijst er op, dat Guignard reeds vroeger2) had gevonden, dat bij Liliuvi de 12 primaire dikke verbindingsdraden waren ontstaan door sainentreding van een zeker aantal fijnere draden en meent nu, dat bij Larix ditzelfde gebeurt: de vermeerdering van het aantal draden vóór het verschijnen van de celplaat, zou dan bestaan in een uitelkaar-gaan van de draden, welke zich in de metaphase hadden verenigd en hij beschouwt die vermeerdering dan ook als slechts schijnbaar. De verschijnselen, welke Stras burger waarnam en door lengtesplijting verklaarde, zouden aldus goed te begrijpen zijn.

Ten aanzien van de, altans schijnbare, vermeerdering van het aantal verbindingsdraden bij Aliittm, ook geconstateerd door Nëmec3), laat Timberlake zich veel minder beslist uit: „There is no convincing evidence that there is any real increase in the number of connecting fibers. lts appearence may be due entirely to the changes which take place in the original fibers, as is the case in the larch. On the other hand, the relatively small number of the connecting fibers in earlier stages seems to show, that some new ones have been formed 4)"

Een dergelijke verklaring als Timberlake, gaven

*) H. G. Timberlake. The developnient and funetion of the eellplate in higlier plants, Bot. Gaz., Vol. 30. 1900, pag. 93.

-) L. Guignard. Xouvelles études sur la Féeondation. Ann. d. se. nat. bot. VII, Bd. 14, pag. 185.

3) B. Xèmec. Ueb. die karyokinetische Kerntheilung in der Wurzelspitze von Allium repa. Jahrb. f. wiss. Bot., Bd. 33, 1899, pag. 331.

4) 1. c. pag. 96.

Sluiten