Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook Grégoire en Berghs1) van de schijnbare vermeerdering van het aantal verbindingsdraden, welke door hen werd waargenomen bij de celdeling in het sporogonium van Pellia: „D'abord, nous sommes portés a croire que 1'accroissement numérique apparent des fibres fusoriales, préalable a la formation de la plaque cellulaire, est dü simplement a ce que les filaments qui étaient trés tasse's, tres e'troitement serre's dans le fuseau, se de'gagent maintenant les uns des autres. Strasburger, en 1898, avait cru voir des „filaments unissants" se dédoubler longitudinalement. Xous sommes portés a voir dans ces apparences la réapparition de mailles étirées du réseau, qui étaient devenues indistinctes dans le fuseau."

Derhalve ontstaan de secundaire verbindingsdraden, welke zich vormen vóór het optreden van de celplaat, volgens Strasburger in 1888 uit tussen de primaire verbindingsdraden ingedrongen cytoplasma; volgens Strasburger in 1898 door splijting van de reeds bestaande; volgens Timberlake, Grégoire en Berghs echter zijn ze van de aanvang af aanwezig, maar worden pas door uiteenwijken duidelik zichtbaar.

Gaan we nu na, hoe men zich voorstelt, dat de vergroting van het verbindingsdradencomplex plaats heeft, nadat de celplaat zichtbaar is geworden.

De meeste schrijvers, bv. Wager'), laten zich daarover niet uit, of slechts in zeer algemene bewoordingen.

Went8) konstateerde, dat bij Fritillaria, Sambucus. Hijacinthus en Tidipa de verbindingsdraden in een reeds ver gevorderd stadium van ontwikkeling, een ring vormen, als men de delingsfiguur van de polaire zijde beziet, In 't centrale deel waren de verbindingsdraden verdwe-

') (tré<»oire et Berghs. La figure aehromatique dans le Pellia epiphylla. La Celluie, t 21, 1904, pag. 218.

2) Wager, 1. c. pag. 48.

3) Went, Beobacht. üb. Kern- und Zellth. Ber. d. d. bot. Ges., Bd. V, 1887, pag. 256 en 257

Sluiten