Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

complex, door het toetreden van nieuwe draden, neemt Strasburger ook bij Lilium aan1). In zijn latere bekende publicatie8) laat Strasburger zich aldus uit: „Thatsachlich ist aber nur als hüufige, aber durchaus nicht constante Erscheinung, eine grüssere Dicke der Verbindungsfaden zu constatiren. Diese grössere Fadendicke tritt dem Beobachter ausserdem schon auf 1'rüheren Stadiën entgegen, bevor der Fadencoinplex die ganze Mutterzelle durchquert. Sie ist nur eine Eigenheit seines Randes, dadurch bedingt, dass dieser Rand an der Ausbreitung des Fadencomplexes besonders betheiligt ist und die Verbindungsfaden dort in Vermehrung begriffen bleiben." In verband met het reeds vroeger meegedeelde, zullen we ons dus die vermeerdering ook als een lengtesplijting van de reeds voorhandene draden hebben te denken.

Timberlake3) heeft niet alleen bij Larix, doch ook bij Allium „radiating fibers" waargenomen, dit zijn protoplasmadraden, welke van de kernen uit vrij uitstralen, vooral ook in de richting van de equator; tegen de tijd, dat de celplaat optreedt, vindt hij het aantal van deze draden vermeerderd en hij spreekt de mogelikheid uit, dat ze een vergroting van het aantal verbindingsdraden veroorzaken.

Uit het voorafgaande beknopte overzicht meen ik te mogen konkluderen, dat meestal wordt aangenomen, dat de primaire verbindingsdraden een belangrijk aandeel hebben in de vorming van het dradencomplex dat een rol speelt bij de celplaatvorming, doch dat ten aanzien van een werkelike vermeerdering van het aantal verbindingsdraden, door het optreden van nieuwe, secundaire

*) 1. c. pag. 169.

2) Zellhaute 1898, pag. 515.

3) 1. c. pag. 95.

Sluiten