Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die Rhizoiden von Chara behauptet". In de antheridiumdraden is de eerste aanleg van de celplaat ook uit verdikkingen van de verbindingsdraden samengesteld.

Swingle1) wijdt enige bladzijden aan de celplaatvorming bij de celdeling in de groep der Sphacelariaceevn. Hij vond, dat de vorming van de cel wand hier niet geschiedt volgens het Spirogyratype en evenmin, zoals boven voor verschillende hogere planten is beschreven, „sondern durch die sich in eine Ebene quer stellende Wabenwande". De kernen zijn wel met de celplaat waarschijnlik door enige draden verbonden, „aber diese Faden sind bei weitem nicht zahlreich genug, um durch directe Umwandlung in eine Zellplatte umgestaltet zu werden'".

Strasburger's 2) opgaven betreffende de vorming van de celwand in de oögonieën van Fitcus komen tot op zekere hoogte overeen met die van Swingle; de verbindingsdraden spelen geen rol. „Vielmehr entstehen die Scheidewande in dem wabigen Trophoplasma, dessen Waben sich entsprechend anordnen, um aus ihren Wanden fortlaufende Plasmaschichten her zu stellen." In deze plasmalamellen zag hij herhaaldelik kleine dicht naast elkaar gelegen korreltjes, die „bei giinstiger Anwendung des Orange-Verfahrens violett gefarbt erschienen". Deze korreltjes herinneren sterk aan de celplaatelementen. die als equatoriale verdikkingen van de verbindingsdraden in hogere planten optreden. Ik wil hier dadelik aan toevoegen, dat Farmer en Williams3), die ook de celdelingen bij Fucaceeën bestudeerden en in Pelvetia een gunstig onderzoekingsobjekt vonden, de volgende beschrijving van de eerste celdeeling in deoïispore geven: „Whereas the inter-nuclear fibres die away: the asters at the

J) 1. c. pag. 338 e. v.

2) 1. c. pag. 358.

3) J. Bretland Farmer, and J. LI. Williams. Contrib. to our knowledge of the Fuc.aceae: their Life-Historv and Cytology. Pliil. Trans. B., 1898, Vol. 190, pag. 623—645.

Sluiten