Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarnemingen, zijn deze het best in overeenstemming met die van Strasburger in 1888. Het komt mij weinig waarschijnlik voor, dat het geringe aantal verbindingsdraden, die bovendien nog den indruk maken van in een toestand van regressie tot gewoon korrelig cytoplasma te verkeren, zich zou ontbinden in het grote aantal secundaire verbindingsdraden, dat bij het optreden van de eerste celplaatelementen aanwezig is. Bovendien mag gevraagd worden, waar dan wel het korrelig protoplasma blijft, hetwelk in grote massa tussen de dochterkernen bij Alliam aanwezig is, waarvan de herkomst echter door mij niet kon worden nagegaan. De onderstelling, dat dit cytoplasma een draderige struktuur aanneemt, schijnt mij het eenvoudigst toe en ook het best in overeenstemming met mijn andere waarnemingen.

Een nieuwvorming van secundaire verbindingsdraden

zooals ik dus als het meest waarschijnlik aanneem

voor het ontstaan van de eerst optredende —, schijnt ook plaats te hebben, in de cellen met wijd lumen, aan de rand van het verbindingsdradencomplex, als dit zich verder uitbreidt naar de moedercelwanden, terwijl de celplaat zich reeds in de equator bevindt en tegelijk medegroeit.

Ik kreeg de indruk, dat in dit geval het omringende cytoplasma doorgaat met zich in draden te differentiëren. Vooral de doorsneden, die nog juist even het verbindingsdradencomplex hadden geraakt, waren zeer instruktief; hier toch had het cytoplasma een draderig-reticulaire bouw, waaruit men zich het ontstaan van de min of meer parallel lopende verbindingsdraden het best kan voorstellen, door een intrekking van de dwarsverbindingen of door een sterk in de lengte zich uittrekken van de mazen van het reticulum. (Vgl. de aanhaling van Gre'goire & Berghs op pag. 19). Op gelijke wijze kan men zich ook denken, dat de eerst optredende secundaire verbindingsdraden ontstaan. In die objekten, waarin de bouw

Sluiten