Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meeste gevallen anders verloopt. In de pollenmoedercellen van Larix b.v. wordt na de eerste kerndeling wel een celplaat aangelegd, doch deze verdwijnt spoedig weer, zonder het aanzijn te hebben gegeven aan een celwand; terwijl dan later, na de tweede kerndeling, simultaan de 4 pollencellen, bij 't optreden van jonge celwanden, door middel van celplaten van elkaar worden afgescheiden. De primitieve celwanden echter, welke deze cellen onderling scheiden, worden later of geheel of gedeeltelik weer opgelost, waardoor de 4 pollencellen zich van elkaar isoleren; de mogelikheid zo niet de waarschijnlikheid moet worden toegegeven, dat deze primitieve celwanden in verband daarmee van den beginne af aan in samenstelling kunnen verschillen van de primitieve celwanden bij de vegetatieve celdeling in wortel-, stengel- en bladmeristemen gevormd. Enige voorlopige waarnemingen gedaan aan pollenmoedercellen van Larix hebben mij de indruk gegeven, dat dit waarschijnlik het geval is. Daaruit zou dan volgen, dat men konklusies getrokken uit waarnemingen, welke betrekking hebben op de celdeling bij pollenmoedercellen, niet zonder nader onderzoek over de vegetatieve celdeling mag uitbreiden. Dit is echter door Strasburger en andere onderzoekers geenszins in 't oog gehouden.

Een andere opmerking heeft betrekking op de waarde der kleurmethoden, welke zo'n uiterst belangrijke rol hebben gespeeld bij de bestudering der celdeling. Herhaalde malen is in het laatste tiental jaren een scherpe, doch in hoofdzaken gerechtvaardigde kritiek uitgeoefend op de waarde der kleurmethoden in 't algemeen en van de door de botanici zo veelvuldig toegepaste Flemm i n g'se driekleurenmethode in 't bizonder '). Meer en

') Men zie bv. A. Pis e her. Fixirung, Fiirbung un^ Bau des Protoplasmas. Jena 1899.

Sypkens. 1. c. pag. 7.

Sluiten