Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer wordt dan ook ingezien, dat de kleuring van preparaten een niet genoeg te waarderen hulpmiddel is, om morfologiese differentiëringen duidelik zichtbaar te maken, doch dat chemiese verschillen daardoor slechts zelden kunnen worden aangetoond. In een referaat over de reeds op pag. 14 geciteerde verhandeling van B1 a n c h e G a r d n e r, zegt Land1). „Most cytologists now place little reliance on staining reactions", terwijl Mot tier2) zich aldus uitlaat: „This point of view does not assume that everything which remains blue after careful differential staining with the triple stain used is kinoplasm, nor is it claimed that the colour of any part of the plasma, resulting from a certain staining method indicates the chemical nature of the part so stained. The colour major may not do so; decisive proof is still wanting . Deze uitspraken hebben zeker ten volle geldigheid voor de gentianaviolet-safranine-oranje-methode, welke so wisselende en onzekere resultaten geelt3). Bolles Lee4) geeft dan ook op, dat deze kleurmethode door de zoölogen tans weinig meer aangewend wordt.

Dit alles neemt echter m.i. niet weg, dat kleuring der preparaten en speciaal geldt dit voor de progressieve kleuringen, wel degelik grote waarde kan hebben ter indicatie van diepere chemiese verschillen en de mogelikheid is niet uitgesloten, dat het op de duur gelukt, altans voor groepen van chemies verwante lichamen, specifieke kleurmethoden te vinden.

In dit verband — en hiermee ga ik over tot een nadere beschouwing allereerst van mijn eigen waarnemingen aangaande de werking van sommige kleurstoffen — in

1) W. J. Gr. Land. Bot. Gaz. Vol. 34. 1902, pag. 240.

2) D. Mottier. Nuclear and Cell Division in Dictyota dichotoma. Ann. of Bot. Vol. XIV. 1900, pag. 183.

3) Men vergelijke bv. de citaten op pag. 49.

ij A. Bolles Lee. The microtomist's Vade-mecum. 6th Ed. 1905.

Sluiten