Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kweekerij, slechts zelden schilderachtig — in den regel meer statig. Als men per trein door bosschen trekt waar nog slechts weinige plekken ontgonnen zijn, dan is het alsof men altijd door spoort door een mooie breede laan; en 't eenige vervelende is dat men met die allée opstaat en naar bed gaat, en nooit eenigen uitkijk heeft. Want er zijn natuurlijk geene of slechts weinige zijwegen, en slechts als men dicht langs bergen rijdt, ziet men deze nevelachtig blauw door de bosschen heenschemeren.

Wouden waar men zoo doorheen spoort, geven overigens geenszins het gevoel van verlatenheid. Overal rijdt men langs kluften houten huisjes — in den trant van onze keeten — welker smalle ongeschilderde plankjes (veel smaller dan bij ons) zilvergrijs verweerd, of juister gezegd, uitgedroogd zijn. Grijs uitgedroogd zijn ook de houten leitjes waarmede die huisjes bedekt zijn; want alle hout droogt hier grijs uit en verrot niet: zelfs de omgevallen doode hoornen verdwijnen eerst na langen tijd, van lieverlede vervluchtigd, geoxydeerd door de zuurstof der lucht. Dit is trouwens iets waaraan de nette, zuinige Hollander in Amerika moet wennen: die duizende neergevallen, sedert jaren daar liggende stammen, kris en kras door elkaar gesmeten als een knibbelspel; waartusschen oprijzen de nieuwe, alreeds zwaar geworden boomen. Van deze zijn de stammen evenzeer effen grijs als van die daar neerliggen. Want door de groote droogte der atmosfeer kunnen de mossen, die in Europa zich nestelen in de scheuren van den boombast, daar blijkbaar geen vocht genoeg opzuigen, en dus zijn die boomstammen poëzieloos grijs en zuiver, als zooeven van een schilder vandaan gehaald. Daardoor wordt ook de tegenstelling tusschen het groen der bladeren —daar zooveel scheller dan bij ons — en die effen grijze stam-

Sluiten