Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze locomotief weg en Iaat ons alleen achter in doodsche stilte.

Den volgenden morgen vroeg sta ik op, kleed mij haastig aan en klim uit de car. De prairie alomme; tot aan den gezichtseinder, behalve aan den eenen kant, in de verte, waar een lang gestrekte boomenrij — vermoedelijk een rivier aanduidend — den horizon afsluit. Als grondtoon in die stilte : krekelzang, met hier en daar het getjilp van een vogel in de lucht, onzichtbaar, hoog, ver. Naar de zijde waar Port Arthur ligt, rijst nevelig omhoog een vierkant gevaarte, zooals de Dortsche toren uit den Biesbosch : de pas gebouwde graanelevator. Daar omheen, laag, wat blank gellikker van huizen. Dichterbij wolkt hoog de stof op: een boer te paard, vast in den Mexicaanschen zadel, galoppeert vroolijk over den landweg. De zon heeft reeds de schittering der dauwdroppels opgezogen, en de lucht staat ijl, zonder wolken, frisch door de zeebries. Tot eenig houvast in die onmetelijke ruimte: vlak voor mij, zich verliezende in de verte, de dubbele lijn der spoorwegrails, met daarboven in eindelooze gestrekte reien, steeds kleiner en kleiner wordende, de telefoon- en telegraafpalen. In het nog gesloten stationsgebouw tikt het telegraaftoestel een huppeldans; eenig bewijs van menschelijk leven, want de hier en daar in het vlakke veld verspreide woningen — zonder bloemen, zonder boomen, zonder iets dan gras — slapen nog hun morgenslaap.

Voor een Nederlander, die in zijn klein , volgepropt land eigenlijk nooit alleen kan zijn, is het een zeldzaam genot zoo te ontwaken in volkomen stilte, in eene maagdelijke atmosfeer, en dan rond te dwalen in die eenzaamheid, al is zij met een ijzeren lijn verbonden aan de woelige beschaving — arme meikever aan een touw, die zich vrij waant!

Sluiten