Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelt men plotseling een onbedwingbare behoefte om zich te wasschen, om zich geheel te verkleeden, nogmaals zich te wasschen, nogmaals, nogmaals! En hoe ver men zich ook van de slachtplaats verwijdert, hoezeer men het oog ook afleidt door bekoorlijke omgeving — den geheelen dag snuift men op dien wee-zoeten geur van pas gestorven cadavers....

Maar griezelig is het niet.

Zoo dwaalden wij van den werkman naar de fabriek. Daalden derhalve van het levende af tot het doode? Neen; want juist die werktuigen, die organisatie van het machtig geheel, zijn de triomf van het intellect. Wij, die in Nederland als het ware aan den uitersten zoom van het fabrieksterrein wonen, zijn niet genoeg doordrongen van de hooge eischen welke zulke zeekasteelen op den nijverheidsoceaan stellen aan het hoogere personeel, aan de technische en administratieve leiding; bevroeden niet welke ontzettende kapitalen daarin gewaagd moeten worden, telkens zich zelf vernietigend, telkens op nieuw zich vormend. Aan den omtrek staande van den arbeidskring, zien wij enkel de ruggen der werklieden, niet de aanvoerders; en daardoor heeft bij zoovelen onzer ingang kunnen vinden het wanbegrip: dat eigenlijk alleen de werkman arbeidt, kapitaal en intellect hunne gedienstigen moesten zijn.

Zulke waanvoorstellingen zullen niet opkomen bij wie mede leeft dat bruisende leven aan de overzijde van den Atlantischen Oceaan, dat óók heeft zijne poëzie: de poëzie van de kracht. Geenszins wil ik daarmede zeggen dat de toestand van den werkman als menvch er niets te wenschen overlaat — verre van daar — maar toch : men voelt daar duidelijker dan hier, dat hij niet het recht

Sluiten