Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Emigreeren tegenwoordig zoo weinigen omdat de toestanden hier zooveel rooskleuriger zijn; of hebben slechte berichten van vroeger uitgetrokkenen den hier blijvenden hunne illusie benomen? Of zijn wij nog hokvaster geworden dan voorheen? Al deze redenen werken zeker samen, en toch is dat thuisblijven te betreuren. Want de twintigste eeuw is vermoedelijk de laatste waarin den Nederlanders gelegenheid wordt geboden ons kleine land grooter te maken door vestiging in den vreemde. Daarenboven: een boom, welks wortels niet ver, allerwege, zich door het aardrijk verspreiden, wordt door den storm weldra ter neer geworpen. Ons land kan dus niet beter gediend worden dan door het heengaan van velen; want heelemaal heen gaat er geen: men blijft steeds verbonden aan het moederland. Waarlijk, het zoude onze broeders in Zuid-Afrika anders vergaan, indien de Nederlaudsche stem ook elders dan in het lage land aan de zee krachtig klonk! En misschien is de tijd niet verre, dat wij voor ons zeiven ook zulke pleitbezorgers in den vreemde van noode hebben. . . .

Maar dan zal in de eerste plaats de hokvastheid onzer hoogere standen zijn te bekampen, terwijl integendeel niets wordt verzuimd om den engen cirkel nog nauwer te trekken. Voormaals zochten de zonen van Nederland wetenschap in den vreemde, en vonden met die wetenschap ongezocht wereldkennis, die daarom nog niet oversloeg tot minachting van eigen taal en land — getuige Constantyn Huyghens — om slechts een enkelen te noemen. Thans, welk student zoude het wagen zelfs voor enkele semesters — niet. Berlijn met Weenen — maar Leiden met Utrecht te verruilen? En op technisch gebied wantrouwt men alle diploma's behalve het Delftsche. O, als het koude, welk een zegen zoude het

Sluiten