Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik wed, zuster Stenhouse, dat je mij een weinig opvliegend vindt; en toch onder mijne vriendinnen ben ik spreekwoordelijk bekend voor de bezadigdheid en gelijkmatigdheid van mijn humeur; maar ze hebben mij te erg getreiterd in den laatsten tijd — neen, val me niet weer in de reden, mag ik ook niet even een paar woordjes spreken? — ik heb je ook eens wat te vertellen dat je de oogen zal doen open gaan omtrent de verdorvenheid en ondankbaarheid van het manvolk. Het verwondert mij niets dat gij de kerk hebt verlaten; ik deuk er ook over zulks te doen; en dat zal je wel niet verwonderen, als je hoort wat ik te zeggen heb. Wat zegje er wel van: dat ik- de kerk wil verlaten? Zullen de inensclien er niet van opkijken? Ik verzeker je op mijn woord, zuster Stenhouse, ik ga bepaald uit de kerk, zuo gauw als ik mijn nieuwen hoed....

Wat? riep ik verbaasd uit — je nieuwe hoed! wat heeft die met de kerk te maken?

Omdat, lieve, ik dan veel zal worden nagekeken. Alle zusters zullen dan op mij ietten, en zelfs de Heidenen zullen zeggen: zie, daar is de dame, die den moed had de Mormoonsche kerk te verlaten en van een ondankbaren echtgenoot te scheiden, die harer niet waardig was. Kn je begrijpt, zuster Stenhouse, 't zou niet aangaan mij door iedereen te laten aanstaren en te laten bepraten vóórdat ik een nieuwen hoed had.'

Deze reden om de afzwering van het geloof uit te stellen, was niet onvermakelijk, en geheel in den geest van mijne vriendin. Ik sprak haar dus maar niet tegen, doch trachtte uit haar te krijgen hoe alles in elkander zat.

He! ik dacht dat ik je dat al verteld had — zeide zij verwonderd — maar 't is waar, ik was zoo boos over wat juist gebeurd was, dat ik al het andere vergat. De zaak is: mijn echtgenoot is een man, en er is geen peil op te trekken wat een man zal doen. Vrouwen, dat weet ge, zijn spreekwoordelijk standvastig in hare genegenheid; zij veranderen niet licht van gevoelens. Wanneer je met een vrouw spreekt, weet je dat ze een vrouw is, en je weet preoies wie je voor hebt; maar met een man is dat heel wat anders. Op een man kan je niet rekenen; je kunt hem niet peilen. Als je alles wel en goed overlegd hebt, en eindelijk weet wat je te doen staat, wel, dan wil de man — als 't is dat je met hem te doen hebt — juist den anderen kant uitgaan, en terwjjl je al het mogelijke hebt gedaan om hem den oenen weg effen te maken, zal hij juist den tegenovergestelde!! opgaan. Ik weet

Sluiten