Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begraven worden. Daar wachten er ook velen. Vele kinderen met witte jurkjes en hel roode parasols, die 1111 en dan kijken in de diepte. En vrijende paartjes. Maar ook — iets ter zijde — een paar vrouwen, eenzaam, in diepen rouw.

Daar komt de koets met de dragers er in — de glazen neergelaten, want liet is zéér warm: een zelfs heeft een waaier in de hand. Dan de witte lijkkoets, en in het glazen omhulsel een heel klein kistje. Ten slotte twee volgkoetsen — veel netter dan die der andere begrafenis. Door het portier — het is zéér warm — zie ik in liet eerste rijtuig zitten een vrouw in het zwart, den zwarten sluier opgeslagen, en het gelaat steunend tegen den zijwand — een gelaat bleek, lijdend, wanhopig als dat van Maria onder 't Kruis — en o, zoo moede. Op de voorbank een jongen en een man — misschien de vader.

De lijkwagen houdt stil ter plaatse waar van den hoofdweg het zijpad afslaat, waarlangs het graf ligt; de witte kist wordt er uitgedragen. Dan rijdt de koets voor waarin de moeder zit, en staat stil, vlak vóór het graf. Niemand stijgt er uit, doch uit het tweede rijtuig is een slank, man gestapt, met gekleede jas, witte das, doch lagen bolronden hoed — de hooge hoed schijnt te Kichmond niet in eere. Zijn gelaat is sprekend, ernstig; en ook zonder het zware boek dat hij onder den arm houdt, zoude men den geestelijke herkennen. Als het kistje in de groeve is neergelaten, vangt hij aan met gesloten oogen, langzaam, met natuurlijke, doch in deze stilte doordringende stem: Wij danken God.... Wij danken Als een elektrische schok vaart het door de leden, daar, op die plaats, in die omstandigheden als eerste woord te hooren een woord van dank! Maar de voorganger vervolgde reeds: Wij danken God dat hij tot ons heeft

Sluiten