Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorwereld.

I

GOUDMIJNEN TE CRIPPLE CREEK.

Drie steentjes heb ik medegebracht van de reis. Het eene zweemt naar graniet, is groen-grijs, met hier en daar een rood-bruin plekje; het tweede, heelemaal roestkleurig, is doorschoten met witte, harde aderen; het derde is laagvormig geteekend; de eene laag hel paars van kleur, de andere wederom groen-grijs zooals het eerste steentje. Op dit groen-grijze schittert iets in metaalglans.

Geen van drieën zijn ze mooi; de steentjes op de Veluwsche heide zijn véél mooier. Gelukkig heb ik ze in een afzonderlijk doosje gelegd, want anders zouden zij spoedig onder allerlei rommel geraken. En dat wil ik niet, want die steentjes zijn iets heel bijzonders: Als gij die zwaar verhit, zullen zij hun geheim los laten: dan zweeten zij kleine droppeltjes, niet water, niet bloed, maar echt gedegen ff oud l

Ik wenschte dat ik zoovele van die leelijke steentjes bezat als de eigenaren van de mijn, waaruit ik die medenam: the Gold Coin mine. Een jaar of vier geleden waren zij arme drommels — over een vijftal jaren zullen zij een veertig millioen gulden „waard zijn". Hunne mijn is nog niet op de diepte, welke bereikt kan worden

Sluiten