Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— al is dat niet zoo héél diep, want dieper dan zes honderd tot negen honderd meter kan men niet in de aarde dringen. Zes honderd meter—een misère! Zeven minuten gaans! 0, als men door de aarde loopen kon even snel als er boven over heen, hoeveel millioenen schats zoude men niet kunnen grijpen op één morgenwandeling!

In die Goudstuk-mijn kan men nog niet dieper dan 213 meter dalen. Met een heffer gaat men naar beneden — evenals in de hotels; alleen is de kooi wat minder ruim en fraai — pijlsnel, in het pikkedonker. Om de dertig meter flikkert een lichtstraal: dat zijn de zijgaanderijen, welke uit de loodrechte of bijna loodrechte schacht ter weerszijden zijn uitgehouwen. Die zijgaanderijen loopen anderhalf honderd meter ver de aarde in.

Zulk eene mijn is dus niet heel groot; kan dit ook niet zijn, want de claims (concessies) hebben zeer bescheiden afmetingen: hun langwerpig vierkant is 90 meter breed, 4">0 meter lang; beslaat dus een viertal bunders. Gij zoudt natuurlijk wat gaarne meer hebben, doch dit is niet mogelijk: als vliegen zijn du goudzoekers op deze bergen gezwermd, en hebben kris en kras hunne claims uitgezet. Eenmaal zoo'n claim in bezit genomen, kunt gij dien houden, mits elk jaar daaraan verwerkende voor minstens '2-50 gulden. Voordat gij echter ten volle eigenaar kunt worden, moet minstens ƒ 1250 verwerkt zijn, en een mijngang of put gemaakt; alsdan is ƒ500 in eens te betalen.

Zooals men ziet: de Staat is royaal —het eenige trouwens wat zijne beambten doen, is uwe claims op de kaart te teekenen. Wat een knibbelspel vormen die claims! Want zij liggen niet netjes naast elkander als wannoezenierbedjes, maar liet is alsof iemand duizende langwerpig-rechthoekige papiertjes door elkaar heeft ge-

Sluiten