is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe wereld

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uie aan den rand staat, kan tot op den bodem zien, wel een twintigtal meters diep; de kanten zijn zeer steil, .sponsachtig; blinkend wit aan de oppervlakte; meer en meer blauwend naar beneden toe, met een vreemde schittering — als lichtgevend — en met ietwat trillends in de vormen, dat aan dien afgrond het onreëele geeft van een spiegelbeeld. Daaraan is het ook toe te schrijven, dat het staan aan den bijna loodrechten kant, het staren in die diepte, geenszins duizelig maakt, en men rustig met het oog kan peilen tot waar op den bodem zich voordoen twee spleten: de eene als een pas gegraven graf — een langwerpige rechthoek, naar gissing een tiental voeten lang en een drietal voeten breed: de kanten zuiver gesneden. En daar beneden: niets; grondelooze blauwzwarte diepte. De andere spleet is meer cirkelvormig en heeft een afgeronden rand, als afgesleten door stroomend water. Altoos door staart het oog op die geheimzinnige leegten; er gaat als een aantrekkingskracht van uit: onwillekeurig buigt het lichaam als om zich voorover te laten vallen — vergeten wordt dat die diepten gevuld zijn met water: zóó rustig zijn zij, rimpelloos, helder als kristal.

Doch terwijl niets eenige inwendige werking verraadt begint, de oppervlakte meer en meer te dampen, en stijgt de waterspiegel langzaam, haast onmerkbaar, als opgeheven door een onzichtbare macht. Afvloeiend door de bres in den kraterrand, doet het warme vocht geleidelijk ook den tweeden vijver zwellen, totdat beide zich vereenigen tot één groot-en plas. Dan allerwege over den rand stroomend, deelt het water de vlakte om den krater als in eilandjes, gelijk een opkomende vloed zulks doet het strand.

Eindelijk wordt de kraterrand onzichtbaar door den ateeds dikker wordenden nevel, welke opstijgt uit den