Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mi hevig hobbelenden poel: en in grillige strooken, die in bet dalend zonnelicht meer en meer blinken als breede vochtige karresporen, vliet het lieete water over de glooiing der formatie dalwaarts. Onrustig borrelen intusschen — alsof Iien een naderende gebeurtenis benauwt — de kleine geysers ter linker zijde, koken en plassen, en bespatten de helling, die van lieverlede wordt tot één glanzende voclitmassa. De zon daalt lager en lager. Wanneer zal de uitbarsting komen ?

Als van groote kampvuren stijgt tusschen de dennen in het dal vóór ons, overal damp steil omhoog: hel teekent zich af tegen de donkere bergmassa's in de verte de witte rook van verwijderde geysers; terwijl op het hellingvlak der formatie vóór ons en terzijde, als goud glinsteren de lange vochtkrinkels, die — 1111 de krater heftig begint te koken — tot kabbelende beekjes aangroeien en de geheele ontzaglijke glooiing doen dampen, zoodat de bergen op den achtergrond in een stoomnevel verdwijnen.

Bijna raakt de zon de kim aan. Zal zij ondergaan vóórdat de geyser losbarst? O, kon ik één oogenblik haren loop vertragen, want 1111 moet, nu moet het komen!

Daar — plotseling — zonder te waarschuwen — stijgt omhoog, gletscherblauw tegen de gelige stoomwolken: een reuzenfontein, puntig en hoekig als een ijsberg, en met kanten, die in het schampende zonlicht wit blinken als sneeuw. Niet één waterstraal, maar vele ; steeds wisselend in gedaante en grootte; nu eens lage wolkende massa's — ziedend mengsel van stoom en water, die uit het geheele machtige kratervlak oprijzen — dan, naast elkander twee, drie waterpyramiden, waardoor zich met doffen slag heen boort één geweldig Iiooge, op hare beurt haastig vervangen door meerdere kleine, welke

Sluiten