is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe wereld

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar alle richtingen uitschieten, elkander doorboren, of samen botsend, vereenigd omhoogsnellen. Soms is het alsof een reuzengestalte zich losworstelt uit den waterchaos en pijlsnel oprijzend, lioog in de lucht, breed uitslaat een ij] wit spookgewaad. Maar het oog duizelt: de vormen zijn niet vast te houden; in eindelooze wisseling danst het water op en neer. Plasregens plonsen rondom den krater, soms als grauwe watergordijnen: Het zijn de ineen zakkende waterbergen, die weggeslingerd worden door de uit de diepte nieuw aansnellende voehtmassa's. — Zwaar wolkt bij elke opstuiving stoom omhoog, die samenvlokkend, en breeder en broeder zich uitspreidend, de lucht verdonkert.

Eindelijk drijft een heftige stoot zulke gulpen water over den kraterrand, dat zij als vloedgolven omkrullende, de glooiing afsnellen, de geheele vlakte te rooken zetten, en ook den geyser aan liet oog onttrekken. Niets is meer zichtbaar; doch door den nevel heen dringt met regelmatige tusschenpoozen de doffe slag, waarmede de omboog geperste waterkolommen treffen de voehtmassa's, welke uitgeraasd weder neerploffen.

Plotseling: doodsche stilte (de kleine geysers zwegen reeds van af het oogenblik waarop de reus zich openbaarde). De stoomnevel trekt langzaam weg; behoedzaam treden wij nader; eindelijk wagen wij ons op den kraterrand. De vijver is weder als te voren: rimpelloos, hemelsblauw; de waterspiegel slechts ietwat lager. Ook de kristalheldere diepte is wat donkerder — want de zou is verdwenen onder den horizon, en licht nog slechts na. En daar, in die diepte, teekenen zich weder scherp ai de beide spleten — de geheimzinnig rechthoekige, die is als een pas gedolven graf; de kleinere, ronde met den afgesleten rand. Alles is in den krater

20