Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelige schoorsteenkolos, waaruit — heel in de hoogte — nauw zichtbaar wasemt wat ijle, zwarte rook, nis een niet starren bezaaide nachtsluier. Langs het lichtend lijf der sterren in het zenitli glijdt stil de top van den bezaansmast, die nu en dan hel verlicht opschiet, wanneer stoomdamp wolkt langs de toplantaarn — welker licht voor wie op 't dek staat, verborgen is.

Een klein rood schijnsel tipt even den horizon. Een schip in brand! roepen passagiers, angstig en toch verheugd — want aan boord is alles afleiding. Maar de roode schijn wordt liooger en breeder — snel, snel — en een lichtende gele boog duikt op uit het zwartblauw, en wordt snel grooter en grooter, alsof iemand de schijf optrekt aan een touw — iemand die haast heeft, en niet weet hoe plechtig langzaam dat moet geschieden. De lichtpuntjes glimmen nog maar flauwtjes; ook het schijnsel der heldere ster verliest zijn kracht. — En nu komt een potsierlijk maangezicht boven; een maangezicht op één oor, gedeukt, met lodderoogen, bollen neus, en een breeden, scheeven lach. O, wat een lach! — Heb je zoo gerollebold, dat je nog niet wakker kunt worden, ouwe jongen? Hebben je de watermuggen gestoken, dat je zoo puisterig bent opgezwollen? Ben je te laat, dat je zoo'n haast maakt? — Nog even druipt zijn kin van het zeenat, dan is de maancirkel van onderen scherp belijnd en staat los in het luchtruim. En dan — klaar wakker geworden en zich taak en waardigheid bewust — rijst plechtig, nauw merkbaar voortschrijdend, de maanhol omhoog. Stil sluipen de sterretjes weg en dooven hunne lichtjes; over liet water glanst langgestrekt een breede lichtbaan, die den horizon ver weg doet deinzen en het schip maakt tot een zwart stipje in matelooze ruimte. Eindelijk zijn aarde en hemel ganschelijk met maanschijnsel vervuld; en nu

Sluiten