is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de toepassing van het theorema van Fourier in de theorie der buigingsverschijnselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plant in eene richting, welke met die van het invallend licht een zekeren hoek maakt. Elk dezer golfstelsels beantwoordt aan eene bepaalde waarde van u en r, en zal zich concentreeren in het brandpunt op de bijas, welker richting overeenkomt met die van het golfstelsel. (In de taal der undulatietheorie zou dit moeten luiden: dat de invallende platte golven na den doorgang door de lens in convergeerende sphaerische golven overgaan. Kortheidshalve zullen we ons echter uitdrukken als boven). Om na te gaan, hoe de lichtsterkte in het focale vlak van punt tot punt verandert, heeft men dus slechts te onderzoeken, hoe de resulteerende amplitudo varieert, wanneer men aan « en ,< alle mogelijke waarden toekent.

Op den regel, dat aan elke waarde van u en i> een gediffracteerd golfstelsel van bepaalde richting beantwoordt, bestaat de volgende uitzondering. De waarden, die men aan ,« en v moet geven, loopen van 0 tot oc. Zoodra nu

2 77

u of i' grooter dan . wordt, kan aan de formules (23)

niet meer door reëele waarden van a' en ji' voldaan worden: aan de deelen der in het vlak S bestaande even wichtsverstoring, voor welke u en r dergelijke groote waarden hebben, beantwoordt dus geen stelsel platte golven achter het scherm. Op deze zelfde moeielijkheid stuit men zelfs reeds bij kleinere waarden van « en /. Het is namelijk, zal men eene reëele voortplantingsrichting vinden, niet voldoende dat cos a' en cos /i' beide kleiner dan 1 zijn: ook cos2 u' +- cos2 ,i' moet minder dan 1 bedragen. Daartoe wordt blijkens de formules (23) vereischt, dat:

2 | 2 / 71