Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat elk golfstelsel door de lens in één enkel punt vereenigd wordt, en dat de lichtsterkte evenredig is met de tweede macht der amplitudo, dan komt men tot het besluit, dat in het focale vlak licht zal ontstaan in een aantal punten, welker onderlinge afstanden door d u bepaald worden — wat dus feitelijk eene doorloopende verdeeling van licht wordt — en dat de lichtsterkte in elk punt evenredig is met de tweede macht van de door (33) bepaalde grootheid A. Men stuit dan echter op deze moeilijkheid, dat de intensiteit in elk punt evenredig met du1, en dus oneindig klein van de tweede orde zou zijn, terwijl toch, aangezien op het geheele vlak eene eindige hoeveelheid licht komt, de intensiteit in elk der beschouwde punten oneindig klein van de eerste orde moet worden.

Om deze paradox op te lossen moet men bedenken, dat eene lens nooit de lichtbeweging van een invallend golfstelsel in één enkel punt concentreert. Al is er in 't geheel geene sphaerische aberratie, dan zal toch de diffractie, die bij den doorgang door de lens onvermijdelijk is, eene verdeeling der lichtbeweging over eene zekere kleine uitgestrektheid van het focale vlak ten gevolge hebben, wat wij zullen uitdrukken door van „de verstrooiingsfiguur" te spreken, daarbij in het midden latende of men hierbij alleen met diffractie of bovendien met sphaerische aberratie te doen heeft.

Vallen nu op de lens golfstelsels van verschillende richting, dan beantwoordt aan elk daarvan eene verstrooiingsfiguur. "W anneer het aantal der golfstelsels beperkt is, en de richtingen zoo ver uiteenliggen, dat de verstrooiingsfiguren geheel buiten elkander vallen, dan behoeven wij aan het boven gezegde bijna niets te veranderen. De lichtsterkte in elke verstrooiingsfiguur in haar geheel genomen — en wij kunnen

Sluiten