is toegevoegd aan uw favorieten.

Over de toepassing van het theorema van Fourier in de theorie der buigingsverschijnselen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft van elk der overige '). Men verkrijgt alzoo in het focale vlak het bekende diffractiebeeld: het licht is verdeeld langs eene lijn, die loodrecht staat op de randen dei spleet, de maxima en minima gaan geleidelijk in elkander over, en de lichtverdeeling is dus continu; de intensiteit der maxima neemt aan weerszijden van het midden zeer snel af. Bij gebruik van wit, en in het algemeen niet-homogeen licht heeft men langs de lijn de bekende afwisseling van kleuren.

Op de beschouwing der isophasische lijnen, die, als het licht loodrecht op het vlak der spleet invalt, alle evenwijdig aan de randen loopen, behoeven wij na het in het vorige hoofdstuk behandelde niet terug te komen.

Wil men de besproken verschijnselen waarnemen, dan kan men de breedte der diffracteerende opening niet onbepaald doen afnemen. Denken wij ons de breedte p zeer klein, zoodat zij minder dan eene golflengte bedraagt, dan kunnen klaarblijkelijk geene waarden van O aangegeven worden voor welke de intensiteit = <» wordt; dit blijkt ook daaruit, dat, voor p sin ft > 1 zou moeten worden. Bij de waar¬

nemingsmethode van Fraunhofer verkrijgt men dan in het focale vlak geene minima meer, maar alleen eene van het midden af geleidelijk afnemende lichtsterkte. Dit komt ook overeen met de opvatting, dat volgens het beginsel van Huygens eene zeer kleine opening naar alle zijden licht uitstraalt. Laat men daarentegen p toenemen, totdat zij veel grooter dan de golflengte wordt, dan verandert er aan den aard

') Het zal wel overbodig zijn, op te merken, dat men, wanneer de diffractiehoek zeer klein is, zooals gewoonlijk het geval is, sin 3 kan vervangen door j. Wij hebben niet noodig geoordeeld , daaraan telkens te herinneren.